Goud van Oud  

Hemelvaart (2011)

Oud worden. “Jij bent te oud voor mij!”. Daarmee werd het proces bij mij ingeleid. Enkele jaren terug. Toekomstdromen afbouwen dan. Of toch niet? Het begint met terugblikken. Achteruit-kijk-spiegel. Mezelf in de spiegel. Benadering : wie ben ik geworden? En aan het worden. Oud geworden, gewoon!

Zo gewoon eigenlijk. Het overkwam mij. Er was geen stap terug. De spiegel sprak. Ik zag gelijk ze mij zag. En herinnerde mij. Jij bent nog te klein, probeer het later eens opnieuw … antwoord-apparaat-achtig! Maar op zijn kop. Jij bent te oud nu, had jij het vroeger maar gedaan …! Hetzelfde lied. Al even vals.

Wat toen niet kon, kon nooit. Wat nu niet kan … tja! Thou shalt not love! And not believe! Met vijftig jaar ertussenin. Ré-actualisering; ten tonele, dito stuk. Steeds ongehouwen. Met splinters. De harde bast is bijna weg. De zachte kern nabij. Saudade. Wat kon. En nu nog kan. Maar toch.

T’is vooravond. Avant-première van “nocturne”. T’is zo voorbij. Licht in de nacht. Een nachte-zonne-gloren. Met avondzonnegoud. T’is goud en wordt niet oud. Acacia-hout. Het werkt als een kompas, de avond in. Go forth. Met kleine voetjes weer, gemeten pas, het nachtlicht achterna.

Jij bent “te” oud leeft in een blik. Hermetisch afgesloten. En is niet voor gevoelens vatbaar. Wel voor herhaling. Zoveelste keer veroordeeld. Tot levenslang! Leven, slang, van bij de aanvang. De strafmaat om te mogen zijn, héél even maar. Met nadruk ingebrachte hallucino-genen. In blikken naar je toegeworpen!

Oud worden is verhuizen. Naar u-topos. N-ergens-anders. Zo vlakbij, maar weg van vroeger. Ik ben gegaan. Elders, ver. Maar ben er weer. Ik was hier ooit. Geen kind aan huis, dat niet. Maar ook geen vreemdeling. Een vreemde-ling, dat wel, een kind zonder begin. Waarvan het einde nadert nu. Waarheen?

Dat heb ik nooit geweten. Ik ging. Just like a rolling stone. De wereld in. En wie ik was, en wat ik wou? Like a complete unknown! De lijn van wie het antwoord weet is schuldig. Er was geen woord … die kwamen toen in blik. Per dosis en met zin. En soms ook begeleid. Door een verbijsterende onzin!

Grijpklare trechter. Daaronder je hoofd. En invullen maar! Je naam in blokletters. Thou shalt not feel but think. And think it over. Tot plots er niemand meer moest zeggen : het zat erin! Gegrift! Maar met vervaldatum. In kleine letters, heel achteraan, ja daar vanonder, gewild onleesbaar.

En zelfs dat gaat, ebt weg. Ik wou het weg. Ik wou een weg. En zocht. En vond. Een pad, vrij smal. Bergop, bergaf. Alleen. En af en toe wel iemand. De liefde werd een droom. En zelfs de drang verging. De dagen vulden jaren. Tot op een oude dag van een oud jaar – vandaag – het licht herrees : de hemelvaart!

Ik die wou gaan, ben hier terug. Ik kronkelde een cirkel en sta aan het begin. En moederziel alleen – wat eng zo’n woord … haar ziel hoorde haar toe, en ’t mijne was haar vreemd. Met eigen ziel dus aan de slag. Onbegeleid ben ik de vrijgeleide. Ik reik mezelf een zachte hand. Dat niets echt wilt maar kan.

Eenzaam dus wel. Maar niet alleen. Ik voel de anderen om mij heen. In harnassen gebogen. Gedwongen oud als ik. Dan toch weer niet. Men waad voorbij. Verschijnen. Dan schijnen. Alvorens te verdwijnen. En stond dáárvoor ook niet verkwijnen? Misschien … als schijn bedriegt, wie weet is het een grap … of niet!?

Tijd heeft een kettingvorm. Je schakelt lanzaam uit, maar niet terug. No way! Tijd is een beestigheid. Het tikt als het voorbijgaat. Beangstigend geluid. Eerst tik, dan tak, die tak waarop je zit. Dat is haar voer, dat vreet ze op. En dat heet angst. En ook verlangen. Todestrieb.

En wensen dat ze komt. Maar zacht. Er niet op wachten. Slenteren. Voor haar is niemand oud. Zij is de bode van die post. En wij de brieven. Met elk zijn herkomst, inhoud en bestemming. Zó specifiek zijn hel en paradijs en vele vage vuren. Ze zijn hoe jij ze schreef. In rimpels. En laten sporen na.

Je “zijn in wording” is geadreseerd, je lot beslecht. Jij was de rechter, de krommer ook. Je bent het nog. Niets is beslist zolang het tikt. Jij hebt nog kaarten in je hand … en kans op slagen! De tijd drinkt snel, vergeet hem wel! Tijdzat. Een roes om even aan te klampen. Een time-stood-still-effect.

Gewoon voorbij de rechter, dan naar je destiny. Hop! Mijn lichaam, die gaat mee, heel netjes ingepakt. Verbeelding … hij moet verbeeld, dan weggevouwd op schap, vanonder in de ziel. Gevoelens zijn ook lichaam. En denken heeft een vorm, een lichaamsvorm. Mijn ziel die werd belichaamd. In-carnatie. Dat wat men “leven” noemt!

En dood is dé-carnatie. Het proces andersom. Wat doodgaat werd geboren. Altijd. Een levend lichaam is dus tijd. Vergankelijkheid. En dood zijn is dan eeuwigheid. Maar wel met vorm. Verschijningsvorm van ziel in tijd; ingebeelde lichaamlijkheid. En dat gedijt een eeuwigheid!

En leven dan, wat is geschied, wat er mij rest? Dat is mijn ziel met “ik” die ‘t leid. Tocht naar mezelf, net als Ulysse’. “Ik” naar “mezelf”, gedurig aan. Eerst ben ik “jij”. En “hen”. En niemand eigenlijk. Met hort en stoot wordt ik mezelf : ik wens mezelf, en wil mezelf en duld mezelf … en wordt het dan ook wel!

Maar wie is dan mezelf? Iets in beweging. Een permanent proces. Met eigen stijl. Heel vreemd is dat, je-zelf h-erkennen. Is een ontmoeting. Kairos. Dat steeds maar moet herhaald. Ont-dekt. Ontgonnen. Onthaald. Is ook wel een creatie: ik word mezelf. Al stappend word ik onbewust de afgelegde weg!

Een wereld-ling ben ik geworden; ik hoor de wereld toe. Ik word wat ze van mij verwacht … een waterding naar ‘t blijkt … dat krinkelt, winkelt een moment en dan discreet verdwijnt. Maar ook werd ik welopgevoed : gekultiveerde prei. Dat groeit en bloeit en wordt gebruikt. En dan bedeesd verijlt.

Geduchte weerstand rees vanbinnen. Er werd gevochten : therapie! Het trachten naar een evenwicht. Tussen de WERELD diep vanbinnen waartoe MEZELF behoort. En de KULTUUR daar buiten uit dat IK begrijpt. En dansen naar de pijpen van, zou koorddansen gaan worden. Op lange koord, heel lang!

Nu deze tocht haar einde nadert, en ’t grootste vrees naar toekomst is verijdelt, kom ik tot rust – bijna – en kijk naar jou, meewarig. Ben jij daar ook geweest? Heb jij gestreden? Geleden? Gesmeekt? Gebeden? En ben jij ook te oud bevonden? Of zit je ergens achter slot, ver weg van al wat telt, er angstig naar te wachten?

Ik kijk en hoor en voel, met al mijn zinnen naar jou toe. Ga mee. We moeten verder. Ik ben een ouwe rakker, een sherpa van de ziel. Vertrouw. Er is een derde leven dat ginder op ons wacht. We zijn met velen. Té veel zeggen ze thans. Fruit van de oorlog. En van voortuigangsdrang. T’is over nu.

Er rest ons dat verleden. Het moet verwerkt. En ook verbeeld. En netjes ingepakt. Alleen het nodige gaat mee. En nuttig is wat onze ziel als last verdragen kan, en dat haar dierbaar is. De rest kan blijven staan. We zijn geen last. Voor niemand. We zijn wel hoop in het verschiet. Voor allen die het leven aangaan, voor elke nieuwe spriet.

We zijn ten hemelvaart geroepen.

Kom!